kernwoorden

Enkele kernwoorden, typerend voor mijn werkwijze

· Openheid en eerlijkheid

In mijn werkwijze probeer ik nieuwe ervaringen te laten ontstaan, die het gevolg zijn van ‘elkaar op een open en eerlijke manier proberen te benaderen’. Ik probeer mijn persoonlijke ervaringen met cliënten zo direct en zo open mogelijk uit te spreken en daarbij niet voorbij te gaan aan mijn eigen behoeften. Met dit laatste bedoel ik, dat ik uiting wil geven aan eigen gedachten, behoeften en gevoelens die de werkrelatie met de cliënt verstoren, opdat ze geen obstakel vormen.

Egan noemt dat ‘echtheid’ of ‘congruentie’ en omschrijft dit met: “de hulpverlener is wat hij is. Zonder iets voor te wenden beleeft hij openlijk de gevoelens en attitudes, die op dat moment in hem leven”. Hierdoor probeer ik een sfeer te creëren, waarin het voor de cliënt uitnodigend is hetzelfde te doen. Door namelijk zelf praktisch, duidelijk en persoonlijk te zijn en alleen adviezen te geven die voor cliënten realistisch en uitvoerbaar zijn, wil ik hen ervaringen laten opdoen, die zij in hun eigen dagelijkse leven ook weer kunnen integreren.

Ik geloof vast, dat dàt de ervaringen zijn, die ons laten zien wie we zelf zijn en wie de ander is, ook hoe we bevredigender met onszelf en met elkaar kunnen omgaan. Ik vind het tot de taak van de hulpverlener behoren, te bewerkstelligen dat dit gebeurt. Ik vind ook, dat het aangaan van zulke diepgaande (hulpverlenings)relaties gewoon deel uit zouden moeten maken van de manier van leven en dat het geen rollen moeten zijn die de hulpverlener zich aanmeet. Ook dit valt onder ‘echtheid’, zoals Egan dat omschrijft en voorstaat.

Deze uitgangspunten zijn van groot belang en met Martin Buber en Romano Guardini ben ik ervan overtuigd dat ‘persoonlijke ontmoetingen’ en ‘de dialoog’ tussen de ene mens en de ander, c.q. tussen de therapeut en de cliënt, de basis is voor iedere relatie en daardoor ten diepste ook voor de samenleving. De erkenning, dat de ander anders is en voor verrassingen kan zorgen, is daarbij fundamenteel. Daartegenover echter, is veel menselijk handelen erop gericht te beheersen wat anders is, met het gevolg dat dat andere geweld wordt aangedaan, wellicht uit onvermogen tot ontmoeting en dialoog.

· Ontmoeting

Zonder ontmoeting schrompelt het contact met de werkelijkheid ineen tot een mechanisch gebeuren, dat geen eerbied heeft voor de waarde van dingen en mensen. Alleen door ontmoeting behoudt men het zicht op de voor welzijn belangrijke waarden: liefde, gerechtigheid en de erkenning van de uniciteit en waarde van elk mens.

De menswetenschappen verleiden ons gemakkelijk tot het denkbeeld dat het weten omtrent de mens voldoende is om iemand te helpen. Alleen in zoverre wij zelf deelnemen aan iemands bestaan, ontmoeten wij de persoon. Het goede gesprek is de openbaring van de oprechtheid van het hart, van het geloof in de volwaardige menselijkheid, in de vrijheid van de ander, in het zonder bedenking deelnemen aan zijn lot, zijn lijden, zijn nood en zijn schuld. Dan spreekt men vanuit het bestaan van de ander, dat ook zijn eigen bestaan is. Want de mens ontmoet zichzelf in de ander.

Voor de hulpverlening is dit aspect relevant. De contacten van de therapeut moeten in dit teken staan.

Wanneer het als doel wordt gesteld “iets bij te dragen aan het welzijn van mensen”, dan is dat slechts mogelijk door de ontmoeting als basis te kiezen. In de ontmoeting ligt de bron van kennis. Het is ook het moment waarop gewerkt wordt aan het herstel van de fundamentele breuk tussen mens en wereld; hij ziet zichzelf als het middelpunt en vereenzaamt.

De ontmoeting vormt een uitdaging om tot erkenning te komen dat de ander en het anders-zijn waardevol is en (voor mij) van betekenis. Om niet te zeggen ‘van levensbelang’, omdat ik mezelf ga leren kennen door de ontmoeting met de ander.

Zelfkennis wordt dus opgedaan door ontmoeting met medemensen, en niet te vergeten door de ontmoeting met God.

Zonder kennis van de ander en zonder kennis van zichzelf is de mens een vreemde, voor de ander en voor zichzelf. Vervreemding is dan de situatie waarin iemand verkeert indien hij niet in staat wordt gesteld of niet van zins is, zich aan een ander kenbaar te maken. Die ander blijft een vreemde voor hem. Generaliserend gezegd, de buitenwereld blijft vreemd voor hem.

Zelfvervreemding is daarvan het neveneffect. De belemmeringen voor ontmoeting kunnen extern en intern zijn. Bij externe belemmeringen kan gedacht worden aan maatschappelijke factoren (denk aan de houding van docenten bij een opleiding, van collega’s of leidinggevenden in de organisatie; of denk aan maatschappelijke factoren zoals de buurt waar de problemen zijn vanwege de tegenstelling tussen rijk en arm, of tussen allochtonen en autochtonen).

Bij interne belemmeringen kan men denken aan persoonlijke factoren, die niet zondermeer herleid kunnen worden tot maatschappelijke factoren. De vrees voor het onbekende, de onwil of het onvermogen tot open communicatie.

Het ‘ontmoetingsdenken’ in het welzijnswerk zou de gedachte kunnen oproepen, dat men in de hulpverleningsrelatie slechts bezig is elkaar in zijn waarde te laten, goede voorwaarden te creëren voor een goed en open gesprek over diep menselijke en wezenlijke problemen, open staan om van elkaar te leren enz.

Ontmoeting en dialoog (zoals eerder verwoord) is echter de basis van waaruit verder gewerkt moet worden. Het moet er niet bij blijven, het moet geen doel zijn, maar een middel om de cliënt nieuwe ervaringen op te laten doen en om hem te leren zelf zijn problemen op te lossen.

Het is dan ook belangrijk, dat de therapeut voldoende afstand kan houden, de cliënt kan observeren en bepaald soort gedrag of denkwijzen kan bevestigen of corrigeren. Daarbij kan hij gebruik maken van technieken, methoden, leermiddelen, welke binnen die ontmoeting tussen mens en buitenwereld, mens en medemens gehanteerd kunnen worden.

· Structureren, analyseren, cognitief werken

Naast voorgaande aspecten ga ik ook vaak gestructureerd te werk en ben ik geneigd het verhaal van de cliënt puntsgewijs op een rijtje te zetten en te analyseren. Daarbij werk ik nogal eens inzichtgevend. Mijn ervaring is, dat veel cliënten hier behoefte aan hebben.

Zij hebben door hun probleem vaak geen overzicht meer op hun situatie of zijn vastgelopen in hun denken, omdat zij hun probleem steeds vanuit één gezichtspunt benaderen.

De draagkracht van cliënten wordt vaak alleen al hierdoor vergroot. Het is belangrijk om een evenwicht te vinden tussen dit meer cognitieve werken en het ervaringsgerichte werken, waarbij de persoonlijke ontmoeting en dialoog zo belangrijk zijn.