hulpverleningskader

Het hulpverleningskader omvat de volgende normen:

· Aandacht, persoonlijke interesse en respect tonen voor de uniciteit van cliënten

Onder ‘uniciteit van cliënten’ versta ik, dat elk individu uniek is: met eigen, persoonlijke ervaringen, gedachten en gevoelens.

Aandacht is meer, dan alleen letterlijk de woorden van de cliënt kunnen herhalen. Het is ook meer, dan alleen fysiek aanwezig zijn. Het is ook een psychologisch of sociaal-emotioneel aanwezig-zijn, ‘een zekere mate van intens-aanwezig zijn’.

Persoonlijke interesse en respect zijn niet alleen houdings-aspecten (een manier van mensen beschouwen), maar moeten in gedrag tot uitdrukking komen.

Hoezeer ook de problemen, het gedrag en de achtergronden van cliënten met elkaar overeenkomen, in mijn hulpverlening probeer ik antwoorden en oplossingen te bieden die passen bij de individuele cliënt. Daarbij moet de cliënt in de eerste plaats als individu worden beschouwd en pas in tweede instantie als behorend tot een bepaalde groep. Slechts als hij op beide manieren beschouwd wordt, kan de complexe problematiek van de diverse cliënten in volle omvang worden bestreken. De gedragingen en gedachten van cliënten worden gerelateerd aan hun specifieke culturele achtergrond, daar wordt respect voor getoond en aandacht aan geschonken.

Invloeden van het gezin en de eigen culturele achtergrond.
Ook probeer ik mijn aandacht te richten op de invloeden die het gezin en de ‘eigen culturele achtergrond’ uitoefent op de cliënt en moeten de interventies mede gericht zijn op het systeem, waarin de cliënt zich bevindt. Dit, omdat deze beïnvloeding ook zijn doorwerking zal hebben naar het functioneren van de cliënt.

De sociale verbanden (lees: gezin, team) dienen bij de hulpverlening te worden betrokken. In die verbanden moeten mensen verder in hun leven/in hun werk. Bij de hulpverlening aan een individuele persoon kunnen die sociale verbanden soms assisteren, soms ondersteunen en voorkomen moet worden dat zij tegenwerken.

Het betrekken van de context bij de behandeling.
Voor mij is er een aantal beweegredenen om de context bij de behandeling te betrekken.

Diagnostisch gezien kan het nodig zijn om zicht te hebben op alle factoren die op het probleem van invloed zijn, zodat men een helder zicht krijgt op individuele, contextuele en relationele factoren.

Behandelingstechnisch kan het nodig zijn om op al deze factoren invloed uit te kunnen oefenen en te kunnen ingrijpen.

Effectief gezien kan het wenselijk zijn dat de belangrijke personen uit de context aanwezig zijn, zodat zij kunnen bijdragen aan de oplossingen die nodig zijn.

Functioneel gezien zijn met name ouders altijd verantwoordelijk voor hun aandeel in het bestaan van welk probleemgedrag dan ook binnen hun gezin, en partners voor problemen in hun relatie.

· De nadruk leggen op de waarde of waardigheid die inherent is aan alle mensen

        (ongeacht her- of afkomst, sekse, seksuele voorkeur en huidskleur)

God heeft de mens geschapen, heeft èlk mens lief en wil met èlk mens een relatie, ook al heeft die mens nog zoveel ‘verkeerds’ gedaan. Dat ‘verkeerde’ (de zonde) haat God, maar Hij houdt van de mens erachter met wie Hij een plan heeft.

Ook Jezus zag de mens – àchter zijn lastige/verkeerde/zondige gedrag – aan, veroordeelde wel dat gedrag, maar wilde zelfs de moordenaar aan het kruis aannemen nadat hij om vergeving vroeg. Voor Jezus is elk mens waardevol, ook al is het nog zo’n misdadiger, is hij nog zo psychiatrisch gestoord of ongeneeslijk ziek. Jezus sprak altijd de mens aan op zijn mens-zijn en wilde een relatie met die mens, waarbij tegelijk het verkeerde van die mens niet werd verbloemd, maar duidelijk onder de aandacht kwam.

God vraagt van mij, om met de mensen om te gaan, zoals ook Jezus tijdens Zijn rondwandeling op aarde dat deed. Op grond hiervan heb ik elk mens te benaderen als waardevol. Als de ander zich als waardeloos ervaart, zou ik ernaar toe moeten proberen te werken dat hij zijn waarde weer hervindt. Een houding van gelijkwaardigheid impliceert de erkenning van anders-zijn en geeft ruimte zichzelf te zijn.

Gelijkwaardigheid kan onmogelijk gerealiseerd worden indien men aan ‘hebben en bewerkstelligen’ meer waarde toekent dan aan ‘zijn’. Dat eerste wordt in onze samenleving op talloze wijzen gestimuleerd.

Ik vind dan ook, dat de waarde van een mens los staat van wat hij al dan niet bezit of voor elkaar heeft gekregen in deze maatschappij of in zijn leven.

Elk mens heeft waarde, omdat hij waardevol is en niet omdat hij zijn best gedaan heeft om dat te verdienen.

· Het helpen prioriteit geven aan doelen die cliënten zichzelf stellen

Ik probeer te komen tot ‘ontmoeting’ en ‘dialoog’ met de cliënten, waarbij ik een sfeer van openheid en vertrouwen wil creëren. Van daaruit koppel ik steeds de probleemdefiniëring terug naar de cliënt en vraag hem hoe hij daar tegen aankijkt. Ook probeer ik te werken vanuit mijn ervaringen tijdens het gesprek en als ik dan bijv. twijfel of de cliënt het wel eens is met mijn probleemdefiniëring, dan breng ik mijn twijfel ook ter sprake. Onder deze condities is het mij gebleken, dat cliënten zo nodig mij durven te corrigeren, ook als het niet om de probleemdefiniëring gaat, maar als ik bijv. in het gesprek op een verkeerd spoor zit.

· De cliënt optimale vrijheid en kansen bieden om zijn eigen kwaliteiten en vermogens te

         onderzoeken

Deze regel, tenslotte, vloeit voort uit de voorgaande aspecten. Ook moet iedere cliënt weten wat de grenzen zijn van wat wel of niet aan hulp geboden kan worden vanuit het Kruispunt.