christelijke hulpverlening verantwoording

Wat maakt de hulpverlening tot Christelijke hulpverlening?

· Het motief om te helpen

Een helpen uit liefde tot God, in gehoorzaamheid aan Zijn gebod, in navolging van Christus. De liefde tot de naaste, die omvangen wordt door liefde tot God. Dit motief om te helpen hoeft echter nog geen invloed te hebben op de aard van het helpen.

· De visie op de medemens

De mens is niet ‘alleen maar een bepaald soort dier’, ook niet ‘alleen maar een sociaal wezen’, is ook niet ‘alleen een raadsel of mysterie of een godheid’.

De mens is geschapen in relatie tot God, naar Gods beeld, in Gods oog uniek en waardevol.

De mens is wel vervreemd van God, zondig, maar toch vastgehouden door God.

De mens voor wie Christus stierf en opstond.

De mens in wiens hart de Heilige Geest wil wonen en voor wiens leven God een toekomst heeft.

De mens is ook geschapen in relatie tot zijn medemens, tot de natuur en tot zichzelf. Als gevolg van de vervreemding van God / als gevolg van de zondeval zijn ook deze relaties verstoord en treedt er vervreemding en afstand op.

· De fundering van bepaalde methodiek-principes

De Geestelijke Gezondheidszorg in z’n algemeen kent verschillende waarden/principes/uitgangspunten. Denk aan bijv. de waarde van elk mens, de autonomie (zelfbestuur/zelfbeschikking) van elk mens, de volledige aanvaarding van de cliënt – ook al keurt men zijn gedrag niet goed, het beginnen waar de cliënt zich bevindt, etc.

Voor een christen zijn deze waarden en principes ten diepste gefundeerd in het evangelie.

Voorbeeld 1: “Elk individu is waardevol”. Omdat God hem liefheeft, zijn leven zó waardevol vond en vindt, dat Christus ook voor hem stierf en opstond.

Voorbeeld 2: “De volledige aanvaarding van de ander”. Omdat God een zondaar vergevend aanvaardt, dat Christus zelfs voor ons stierf toen wij nog zondaars waren.

Genoemde 3 aspecten kunnen dan weliswaar belangrijke christelijke noties betreffen, maar zij rechtvaardigen nog geen aparte christelijke organisatie zolang niet duidelijk is dat bij het werk het evangelie ook expliciet aan de orde wil komen.

 

De vraag kan gesteld worden wanneer het evangelie op een verantwoorde wijze expliciet aan de orde is.

Hierop zijn verschillende antwoorden mogelijk:

· Soms wordt er nauwelijks of niet over het evangelie gesproken, maar kan er door gedrag en houding of benadering een stille heenwijzing zijn naar de liefde van Christus, van God. Daden kunnen een dergelijk verwijzingskarakter krijgen, als cliënten weten, dat het goede wat hen treft in het kader van een christelijke instelling verricht wordt en in Christus’ naam geschiedt.

· Wanneer er in de hulpverlening sprake is van (aspecten uit) opvoeding van kinderen, dan wordt ervan uitgegaan, dat godsdienstige opvoeding enerzijds een belangrijk onderdeel is van de opvoeding (als het gaat om de specifieke godsdienstige opvoeding naast bijv. de seksuele opvoeding, de sociale opvoeding enz.) – anderzijds is het ook datgene, wat het geheel van de opvoeding wil doortrekken en omvatten.

· Dan is er ook de vraag of de hulp, die aan cliënten geboden wordt, erom vraagt dat wij het aan de orde brengen.

 

Er kunnen vier rubrieken van situaties zijn, waar in het volle contact met de cliënt openlijk over God, over Jezus, over het evangelie gesproken kan worden.

· Het kan passend zijn een Bijbels appèl op de ander te doen met daarbij een agogisch element. Zo’n agogisch appèl nu is des te duidelijker als het steunt op een relatie, als het voortvloeit uit de relatie tot God, en is juist dan niet wettisch omdat het gebod een facet is van het evangelie, de blijde boodschap, omdat de opgave de keerzijde is van de gave die God geeft. De relatie tot God geeft een vruchtbare spankracht aan het leven.

· Het kan passend zijn om Bijbels gefundeerde troost te doen horen. Vaak is er leed dat niet te verhelpen is. Het gaat er dan om hoe men dat leed ‘verwerkt’. Als dit wordt besproken, vraagt dat om een pastoraal element in het gesprek met de ander. Een aspect van dat pastorale element kan de ‘troost’ zijn, reële diepgravende troost, zoals alleen het evangelie dat kan geven. En als het om schuld gaat i.p.v. leed, dan is het nog duidelijker dat alleen het evangelie kan troosten.

· Het kan passend zijn om een aanwijzing te geven, waar vanuit de Bijbel kracht is te ontvangen. Er is vaak kracht voor nodig om het verkeerde los te laten, om moeilijke besluiten te nemen, om noodzakelijke offers te brengen. De beste weg is vaak de moeilijke weg, niet de weg van de minste weerstand. De kracht om die weg te gaan, zal de mens uit zichzelf moeten halen in zoverre anderen hem daarbij niet wezenlijk kunnen helpen. Maar een mens kan falen en is aangewezen op Gods bijstand.

· Het kan passend zijn om de cliënt een Bijbels gefundeerde visie aan te reiken, betreffende de weg die hij ging en gaat en betreffende de wegsplitsing waarop hij de verdere weg kiezen moet. Hij moet zelf kiezen, op eigen verantwoordelijkheid, maar het zou niet goed zijn om hem de oriëntatie te onthouden aan de hand waarvan hij kan aftasten wat de goede weg, de juiste oplossing, mag zijn. Het kan passend zijn hem uit te leggen, als hij naar God wil vragen, wat Gods bedoeling is met het leven, met het huwelijk, met het bezit enz.

 

In de hulpverlening vanuit het Kruispunt is dus een pastoraal element ingevoegd, omdat het er bij hoort. Het is meer dan eens hoogst nuttig om een predikant of voorganger te betrekken bij de behandeling, of om de cliënt door te verwijzen naar de predikant of voorganger, maar het is irreëel om elk pastoraal element in het gesprek methodisch voor taboe te verklaren. Een zekere scholing in het verstaan en brengen van Bijbelse noties is nodig, al blijft persoonlijke bewogenheid en wijsheid van wie christen is het uitgangspunt.